Uit de oude doos: "Tweegesprek"

't Walchersche Pijproockgilde


Terug naar:

Terug naar:

En we zuge an de pupe
En we zuge an de pupe
En we zuge an de pupe
Tot 't blauw ziet
En as me uutgezoge zien
Drinke me 'n
lekker glaesje wien
En daernae ge me wé verder mee de pupe.

 

 

Tweegesprek tussen een leerling-preparateur en zijn leermeester.

Hoe kwam u er zo toe om een pijp te gaan roken?
Toen ik zeventien jaar was (dus nu zo’n veertig jaar geleden) ontmoette ik op de bouwplaats van het toenmalige Zusterhuis (van het eveneens toenmalige Gasthuis) Middelburg, het gebouw dat nu bekend staat als het M.C.M., een pijprokend heer die daar zocht naar oude wijnflessen.
Ik kan me herinneren dat zijn motivatie mij toen licht de wenkbrauwen deed fronsen omdat ik destijds in het geheel geen belangstelling had voor wijn, laat staan voor lege flessen die ooit dat vocht hadden bevat.
Zelf betrad ik voornoemd terrein in de hoop daar voor mijn toen nog bescheiden collectie schedels een mensenschedel “op de kop te tikken” omdat mij ter ore was gekomen dat daar ooit, omstreeks 1600, pestslachtoffers begraven waren.
Nu beweert men dat toeval niet bestaat maar dat alles is voorbestemd, zodat het kon gebeuren dat ik een oude wijnfles vond (leeg weliswaar) en deze meenam, thuis ontdeed van de bouwbagger en tot de conclusie moest komen dat de fles er toch wel fraai uitzag.
De fles werd na reiniging geheel zilverkleurig door de inwerking van zuren uit de bodem, was ongeveer 18 cm hoog, dikbuikig met een diepe ziel en een conische hals.
De kenners onder u ervaren nu een “aha-erlebnis” en slaken de kreet: ”Kattenkopfles”
En dat was het.
Mijn vondst werd bij mijn andere trofeeën uitgestald en stond daar een maand of acht te pronken, totdat ik op een winterdag de eerder genoemde heer weer tegen het lijf liep, die mij belangstellend vroeg of ik nog een schedel had weten te bemachtigen.
Mijn antwoord liet ik vergezeld gaan van de wedervraag of hij nog een “kattenkop” had gevonden, waarop hij teleurgesteld een negatief antwoord gaf.
Toen ik hem vertelde er wel een gevonden te hebben maar daar niet echt affiniteit mee had, vertrouwde hij mij toe dat hij (indien ik belangstelling had) wel een menselijke schedel voor mijn verzameling kon leveren.
De deal werd gesloten en ik ging ter bezegeling van onze afspraak en verrijking van beider collecties bij hem op visite. We raakten bevriend en deze vriendschap bleef tot de dag van vandaag in stand, doch dit ter zijde.
Ik memoreerde al dat hij een pijproker was en de geur van zijn pijp had alle textielwaren in zijn huis doordrongen met de lucht van Rode Amphora, een tabak die wij zo nu en dan ook dwangmatig dienen te verbranden omdat een (door ons overigens hooggewaardeerd) lid van ons edele gilde nu eenmaal op gezette tijden tot de conclusie komt dat de houdbaarheidsdatum van zijn voorraad dreigt te verstrijken. (Sorry Leo!!)
Omdat de geur van pijptabak toen door mij werd geassocieerd met Rode Amphora, begon ik op mijn 21e (en vanwege een weddenschap met mijn vader niet eerder) met het roken van een pijp, gevuld met Rode Amphora. ZIEK dat ik van die handel werd! Niet te filmen.
Bij de tabakshandelaar Schroevers (die zat toen op het hoekje van de St.Pieterstraat en de Balans) om advies gevraagd en hij stuurde mij naar huis met een pakje baaitabak, Van Rossums Troost.

Daarop blijven hangen?
Nee, integendeel, dat spul brandde als een lier in de pijpenkop en op mijn tong.
Ik kan me herinneren dat ik na twee pijpen ermee gestopt te hebben de rest gebruikte om de bladluizen te bestrijden, die in de tuin van mijn ouderlijk huis de rozen parasiteerden.

Hielp dat middel tegen de bladluizen?
Absoluut. Omdat de rozen na twee dagen hartstikke dood waren, hadden de bladluizen ook niets meer te vreten, dus gingen die ook dood. Drie jaar geen bladluis gezien. Rozen helemaal nooit meer. Goed middel.

Toen? Helemaal gestopt met roken?
Nee, als ik ergens aan begin zet ik door, dus probeerde ik een nieuwe tabak. Clan dit keer, omdat dat zo lekker ruikt naar karamel toffees. Dat beviel beter en een prettige bijkomstigheid was dat ik plotseling zo lekker veel ruimte om me heen kreeg, omdat mijn omstanders het ook (op een afstandje van ca. 6 meter) best wisten te waarderen.

Dus u rookt nog steeds Clan?
Nee, al lang niet meer. Op den duur ga je je toch eenzaam voelen, met zo’n niemandsland rond je heen, dus kocht ik “als Bruin het trekken kon” wel eens een pakje MacBaren Mixture.

Had u een bruin paard?
Nee suffie. Als ik net was verjaard of in andere zin een meevallertje had, trakteerde ik mezelf wel eens op een pakje van die tabak en was daar "stik zunig“ op. Ik kan me herinneren dat ik zo nog eens een splinternieuwe pijp naar de gallemiezen heb geholpen. Ik was net 23 geworden en had van mijn verjaardagscenten eens uitgepakt, mezelf getrakteerd op een nieuwe Butz Choquin pijp en een pakje Mac Baren Mixture. Ik was de pijp nog aan het inroken, dus netjes 3x voor eenderde gestopt en tot de laatste kruimel leeg gerookt. Vervolgens 3x voor tweederde stoppen en leegroken, maar bij de laatste sessie ging het mis. ………… (Denkend aan deze calamiteit welt er spontaan een traan en zwijgt de meester even, de spanning wordt vrijwel ondraaglijk)

Toen?  Wat gebeurde er toen?
(Met een zucht wordt de draad van het verhaal weer opgepakt.)
Toen kwam mijn (eveneens) pijprokende vriend op het idee om nog even op het strand te gaan kijken of er wellicht nog dode vogels waren aangespoeld, waarvan we de schedel nog niet in onze collecties hadden en pakten we mijn motorfiets om naar het strand te gaan.

Maar wat heeft dat te maken met het verhaal?
Omdat ik mijn pijp nog maar net in de brand had gestoken en het zonde vond om die dure tabak er zomaar op straat uit te kloppen, stak ik de pijp in de zak van mijn leren motorjack en reden we naar het strand. Dat het roer van de pijp net uit mijn zak stak, was mij niet opgevallen.
Bij het strand aangekomen zette ik de motor op zijn standaard en werd meteen een geur gewaar alsof er een vuilnisbelt in de fik stond. Rondkijkend, kwam ik al snel tot de conclusie dat ik zelf de geurgenerator was, want uit de zak van mijn jack kwam een bruingrijze rookkolom. Mijn leren motorjack, trui, shawl en pijp waren “total-loss”
De luchtstroom langs het mondstuk van mijn pijp had gedurende de rit de pijp volkomen “door gerookt”. De kop was gescheurd door de hitte en het mag eigenlijk een wonder heten dat mijn rechter flank niet “medium rare” geroosterd was.
Het ergste vond ik eigenlijk nog de uitspraak van die verzekeringsagent die langs kwam om de schade in ogenschouw te nemen. “Duidelijk geval van schroeischade en u weet dat dat niet wordt vergoed” sprak de sadist vergenoegd. Nee knul, pijproken is afzien. Je loopt als pijproker altijd met uitpuilende zakken. Ga maar na, een stuk of drie pijpen, tabak, filters, pijpenragers, stampertje, aansteker…  het houdt niet op, de zooi die je mee moet sjouwen.

En toch gaat u er mee door en zelfs elke eerste woensdag van de maand naar “de Mug’’ waar 't Walchersche Pijproockgilde bij elkaar komt?
Misschien zal je dat ooit nog eens gaan begrijpen, maar voorlopig moet je het doen met de verklaring dat er een tijd komt, dat de Nederlanders met weemoed terug denken aan de goede oude tijd, waarin men nog mocht roken, een borrel drinken of autorijden, zonder dat geklier van al die milieu groeperingen (die zelf overigens net zo hard meedoen met al die zogenaamde verwerpelijke gewoontes).
Wij, van 't Walchersche Pijproockgilde, vertegenwoordigen in feite een stuk levende cultuurhistorie dat gekoesterd zou dienen te worden, maar helaas, in het licht van de Westerschelde Container Terminal, de vaste oeververbinding, de Betuwelijn en al die andere grootschalige projecten die er zo nodig in ons land gerealiseerd dienen te worden, is 't Walchersche Pijproockgilde maar een heel klein clubje dat eens in de maand bij elkaar komt in een rokerig achterkamertje van “de Mug” om zich te buiten te gaan aan hun gemeenschappelijke verslaving. Maar, wie weet, komen er betere tijden,………er wordt namelijk beweerd dat Barend Midavaine speciaal voor ons een gloednieuwe ruimte aan het creëren is.
Zou er dan toch erkenning voor ons verschoppelingen van de maatschappij in zitten?
De toekomst zal het uitwijzen, voorlopig: “Bluve me zuge an de pupe tot ut blauw ziet!!!”

 

Wim Phaff, 2003.

Terug naar boven