Interview met de Deense pijpenmaker Poul Winsløw
Een samenvatting uit een interview (uit 2002), gehouden door Smokers Club (SC), met één van de meest creatieve pijpenmakers: Poul Winsløw (PW).

SC: Waarom moet men eigenlijk pijp roken?
PW: Indien men écht van tabak wil genieten, zou men een pijp moeten roken. Roken is natuurlijk een kwestie van nicotine, dat de hersenen fitter maakt. De vraag is echter: hoe moet men die nicotine tot zich nemen? De sigaret is door zijn productiemethode (tabak in een stukje papier rollen) lang niet zo smaakintensief als de sigaar of de pijp. Ik geef de voorkeur aan de pijp, omdat deze de combinatie van een rookattribuut en tabak biedt. De verschillende tabakssoorten en tabaksnedes, de oneindige mogelijkheden om te mixen, te aromatiseren en dat samen met een mooie bruyère-pijp is voor mij puur tabaksgenot.

SC: Het handwerk van de pijpenmaker, wat spreekt u daarin zo aan?
PW: De mogelijkheid om met mooie houtsoorten om te gaan, een zuiver natuurproduct te kunnen behandelen. Bovendien is creativiteit voor een pijpenmaker zeer belangrijk: praktisch elke pijp is anders. Dat maakt het werk spannend en geeft enorm veel plezier en voldoening.

SC: Waar let u op bij het maken van een pijp?
PW: Ik bekijk eerst de ebauchon, het ruw gezaagde deel uit de bruyèrewortel, dat is mijn belangrijkste uitgangspunt. Je kunt een bepaalde vorm voor een te maken pijp in je hoofd hebben, maar door het bekijken van de ebauchon dwingt de natuur je vaak een andere richting op. Samen met de ideeën van de pijpenmaker ontstaat dan de pijp.

SC: Hoe bent u begonnen met pijproken?
PW: Alle mannen in mijn familie waren pijprokers. Destijds begon men met pijproken als men 14 of 15 jaar oud was; het was heel gewoon dat men het pijproken eens probeerde. Een belangrijke reden was ook, dat de accijns op sigaretten in Denemarken destijds zeer hoog was en pijproken veruit goedkoper was. Ik ben begonnen met de standaard modellen, maar dit vond ik al snel saai. In Kopenhagen heb ik toen mijn eerste freehand-pijp gekocht. Enthousiast over de individualiteit van deze pijp, merkte ik dat het niet meer om een simpel rookattribuut ging. De symmetrie en asymmetrie in de vormen vond ik zeer interessant. Ik kocht daarna uitsluitend nog freehand-pijpen, waar soms een heel maandsalaris aan gespendeerd werd. De oudere collega’s bij de krant, waar ik toen in opleiding was, waren ook allemaal pijprokers… en jaloers.

SC: En uw pad naar pijpenmaker?
PW: Ik zag een advertentie: “Preben Holm zoekt nieuwe medewerkers.” Ik ben direct op mijn bromfiets gesprongen en naar de rand van Kopenhagen gereden. Vijftien geïnteresseerden waren mij voor en ik wilde eigenlijk al omkeren. Tijdens het gesprek met Preben Holm bleek al snel, dat ik daar beginnen kon. Dat was 33 jaar geleden.

SC: Hoe zag uw werk er toen uit?
PW: In het begin mocht ik de vloer van de werkplaats aanvegen. Later mocht ik de ruwe pijpen slijpen. Ik leerde snel en probeerde ook eigen verzinsels uit. Nog later corrigeerde ik het werk van oudere collega’s. Toen ik in militaire dienst moest betaalde Preben Holm een derde van mijn loon door, als garantie dat ik na mijn diensttijd weer terugkwam. Ik was een rijke soldaat.
Na mijn terugkeer uit militaire dienst werd ik verantwoordelijk voor de productie. Dat waren gouden tijden: we verkochten veel pijpen in Amerika en produceerden pijpen als bezetenen. Preben Holm werd helaas ziek en stierf 15 jaar na mijn start in zijn bedrijf. Toen ben ik voor mezelf begonnen.

SC: Hoe ziet uw huidige werkdag eruit?
PW: Precies zoals die van elke werknemer, met het maken van pijpen is men de hele dag in touw.

SC: En waar let u op in uw werk?
PW: In eerste instantie natuurlijk op de kwaliteit van het hout, de nerfstructuur. Ik “lees” het ruwe blok zoals een diamantslijper de ruwe diamant leest. Toch wordt je dan nog wel eens verrast door fouten in het hout, overigens uitsluitend plateauhout uit Corsica. Het liefste maak ik Grain-pijpen: Straight Grain, Cross Grain of Flame Grain.

SC: Wat dan ook in de prijs tot uiting komt. Voor de “zuinigere” Winsløw-fan is er de Crown serie.
PW: Een echte Winsløw vergt natuurlijk meer arbeid, de afwerking is intensiever en de kwaliteit van de pijp is hoger. Voor een Winsløw wordt uitsluitend het beste en foutloze hout gebruikt. Een Crown is echter geen minderwaardige pijp. Kleine foutjes soms, maar ook hier stellen wij grenzen. Het hout is ook bij Crowns van zeer goede kwaliteit. Crowns zijn eigenlijk Winsløws tweede keus, maar nog steeds Winsløws.


SC: Hoeveel pijpen produceert u per jaar?
PW: Dat is natuurlijk afhankelijk van de markt, van de vraag. Samen met het merk Crown circa 1200 pijpen per jaar. Alle door ons geproduceerde pijpen zijn echte freehand-pijpen.

SC: Zoals uw Jaarpijp?
PW: Exact, daarom zijn ook niet alle pijpen precies hetzelfde, hun vorm ligt zo dicht bij elkaar als het hout en de handarbeid het toelaten. Ik ben er erg trots op, dat de Jaarpijpen van het begin af aan zo populair zijn en ook, dat er verzamelaars zijn die deze Jaarpijpen als een soort gedenkteken van mijn productie zien.

SC: U bent niet alleen pijpenmaker, maar u beoefent ook de schilderkunst.
PW: Mijn vader was kunstschilder en ik heb als kind natuurlijk al geschilderd. In onze familie werd ook gemusiceerd, het was een echte kunstenaarsfamilie. Een tijd lang heb ik mij uitsluitend op het maken van pijpen gefixeerd, maar de laatste drie tot vier jaar houd ik mij ook weer bezig met schilderen. Deze verschuiving doet mij goed. Ik heb inmiddels mijn stijl gevonden, het moderne ligt mij meer als de klassieke schilderijen, die zijn er al zoveel.

SC: Een parallel met uw pijpen?
PW: Zeker, alleen landschappen en eentonige stillevens schilderen ligt mij niet. Dat vind ik saai. Karaktervolle vormen en kleuren zijn de parallel in mijn schilderijen en mijn pijpen. Als ik schilder, dan “explodeer” ik, dat is mijn stijl. In de schilderijen leg ik mijn ziel, net zoals in mijn pijpen.

Vrij vertaald uit het Duitstalige tijdschrift Smokers Club, nummer 1, 2002. Het originele interview werd afgenomen door Jan Geert Wolff. Foto's van Poul's website 2010.